Categorie archief: post

Duurzame stadstuin Sint Martens Hof

Momenteel ben ik mede-projectleider van een project van de wetenschapswinkel van Wageningen UR, een erg leuke ervaring. De wetenschapswinkel ondersteunt maatschappelijke organisaties met onderzoek. Dat onderzoek wordt begeleid door een projectleider van Wageningen UR, maar vaak grotendeels uitgevoerd door studenten. Het onderzoek waar ik bij betrokken ben – Sint Martens Hof – speelt zich af in Arnhem. De bewoners van twintig klushuizen willen een ontwerp voor een gezamenlijke duurzame binnentuin. De eerste stap van het onderzoek is gezet door een groep studenten die het vak ‘Academic Consultancy Training’ volgden. Zij moesten zich inbeelden dat ze een consultancy bureau waren en een aantal randvoorwaarden voor het ontwerp onderzoeken, gebaseerd op de wensen van de bewoners (bijvoorbeeld: regenwater moet in de grond kunnen infiltreren, er moeten bomen worden herplant en er moet ruimt zijn voor fietsenstallingen). Zie ook het blog van de bewonersgroep. De studenten hebben een uitgebreid rapport met allerhande suggesties afgeleverd, dat ze dit voorjaar op een conferentie gaan presenteren.

 

In de tweede stap hebben zestien studenten Landschapsarchitectuur een ontwerp voor de tuin gemaakt, uitgaande van de randvoorwaarden die de studenten vóór hen hadden onderzocht. Zij hebben hiervoor meerdere keren met de bewoners gesproken, voor de kinderen een workshop georganiseerd en ook met de volwassenen geplakt en geknipt. De bewonersgroep heeft hier een erg leuk blog over geschreven. Helaas kon ik zelf wegens ziekte niet bij de presentatie van de uiteindelijke ontwerpen zijn. Maar ik heb me laten vertellen dat het erg gezellig was, en dat er vooral veel mooie ontwerpen zijn laten zien.

 

Nu zijn we toe aan de derde stap; een advies geven aan de bewonersgroep. Maar hoe doe je dat als je zestien ontwerpen hebt, die allemaal redelijk verschillend zijn, maar wel allemaal gewaardeerd worden door de bewoners? Daar heb ik gisteren met mijn mede-projectleider over gesproken. Moeten we nog een keer met de bewoners in gesprek om te kijken welke elementen zij uit de verschillende ontwerpen mee willen nemen? De kans is groot dat we dan met open eindjes blijven zitten en bovendien, zullen de bewoners het wel allemaal met elkaar eens zijn? Of laten wij een uiteindelijk ontwerp maken door de docente landschapsarchitectuur die bij het project betrokken is? Klinkt ook wel goed, maar als het dan niet aan de eisen voldoet, belandt het dan niet ergens in een la? En zullen alle bewoners zich daar dan wel in kunnen vinden? Of bieden we wellicht drie verschillende ontwerpen aan? Tja, dan moeten de bewoners nog steeds een keuze maken… We zijn er dus nog niet helemaal uit. We willen een ontwerp afleveren waar alle bewoners achter staan, maar de vraag is of dat überhaupt mogelijk is, en of we dat krijgen door veel opties open te laten of juist al bepaalde keuzes te maken. Moeilijk moeilijk.

 

Wel is er een aantal duidelijke verschillen tussen de ontwerpen, wat het mogelijk maakt om heldere keuzes te maken. Sommige studenten hebben een relatief open ontwerp gemaakt, anderen juist een meer gesloten tuin. Sommige studenten hebben de tuin twee ingangen gegeven, anderen één. Met andere woorden; er zal een keuze moeten worden gemaakt tussen één of twee ingangen en tussen een open of een gesloten ontwerp. En zo zijn er meer vaste elementen en dus keuzes voor het één of het ander. Bovendien zijn sommige van die elementen van elkaar afhankelijk (bijvoorbeeld; als je met twee ingangen werkt is de tuin relatief open, en kun je niet meer kiezen voor een meer gesloten ontwerp). Ons idee is nu om de bewoners dit soort keuzes voor te leggen door middel van een enquête, zodat ze ‘gedwongen’ zijn zich uit te spreken. Daarna kunnen we gewoon stemmen tellen. En dan zullen we de docente landschapsarchitectuur vragen met een uiteindelijk ontwerp te komen, waarin die keuzes zijn meegenomen. Of dat de juiste weg is zullen we zien. Wordt vervolgd!

 

Hier nog een berichtje uit de krant.

 

Esther Veen blogt als onderzoeker stadslandbouw

 

Enquête Buurtmoesttuin de Trompenburg – plezier in tuinieren

Sinds kort heb ik drie nieuwe tuinen bij mijn onderzoek betrokken. Op alle drie deze tuinen heb ik een enquête uitgevoerd (of eigenlijk; dit hebben collega’s tijdens mijn verlof voor me gedaan). Eén van die tuinen is Buurtmoestuin de Trompenburg in Amsterdam. Ik had een vragenlijst online gezet en één van de drijvende krachten achter het initiatief heeft de deelnemers een email gestuurd met een linkje. Dit heeft 12 geldige enquêtes opgeleverd. Hierbij een kort overzicht van de resultaten.

 

Algemeen

  • De helft van de respondenten is sinds de start van de tuin – 2009 – betrokken. Een kwart is lid sinds 2011; de anderen zijn korter onderdeel van de tuin.
  • Anders dan in de andere tuinen uit mijn onderzoek is de grootste leeftijdsgroep die van 35 tot 45 jaar oud (42%); in andere tuinen is deze groep vaak ondervertegenwoordigd. Toch ligt de gemiddelde leeftijd niet erg laag; de overige betrokken zijn 55 jaar of ouder (een kwart tussen de 55 en 65; een derde over 65).
  • De meeste respondenten wonen in de buurt van de tuin (Rivierenbuurt, IJsselbuurt, Scheldebuurt), maar voor meer dan de helft van de respondenten ligt de tuin wel op ‘fietsafstand’.
  • De tuin wordt relatief vaak bezocht; twee derde van de respondenten komt er tenminste eens per week, en een kwart twee of drie keer per maand.

 

IMG_0716

 

Redenen om bij de tuin betrokken te zijn

We vroegen mensen waarom ze bij de tuin betrokken zijn; respondenten konden van 20 redenen maximaal 3 aanvinken. Het tuinieren zelf is voor veel respondenten een belangrijke reden om bij de tuin betrokken te zijn; 58% geeft aan dat het plezier in tuinieren een belangrijke motivatie is. Geen enkele andere reden kwam daarbij in de buurt. Ook de groenten zelf zijn een belangrijke motivator; 33% wil eigen groenten verbouwen omdat je dan weet wat je eet, 33% omdat je dan biologisch kunt eten en 25% omdat de groenten dan lekkerder zijn. Een kwart wil meer kennis opdoen over groenten verbouwen. Ook wil een kwart van de respondenten een duurzaam initiatief steunen.

 

De sociale contacten waartoe de tuin eventueel kan leiden zijn voor de meeste respondenten geen (belangrijke) reden geweest om bij de tuin te zijn; niemand gaf aan dat de betrokkenheid voortkwam uit het zoeken naar gezelligheid of het leren kennen van nieuwe mensen in de wijk. Slechts één persoon gaf aan betrokken te zijn om tijd door te brengen met mensen in dezelfde wijk. Twee mensen gaven als reden dat de tuin een fijne plek is om naar toe te gaan.

 

Contacten op de tuin 

Het opdoen van contacten blijkt dus geen belangrijke beweegreden om bij de tuin betrokken te zijn. Veel mensen werken dan ook doorgaans alleen op de tuin (75%). Desalniettemin maken alle respondenten wel eens een praatje met een andere tuinder; meer dan de helft doet dat bijna altijd als ze aan het werk zijn. Iedereen kent dan ook andere tuinders; een derde van de respondenten kent 5 tot 9 anderen, een kwart 3 of 4 en nog een kwart 10 tot 14. Bovendien blijkt dat vrijwel alle respondenten de andere tuinders die ze kennen, door de tuin hebben leren kennen. Met andere woorden; men kende van te voren nog geen andere tuinders. In die zin heeft de tuin er dus wel toe geleid dat tuinders andere buurtbewoners hebben leren kennen.

 

We legden respondenten ook stellingen voor waarvan ze konden aangeven of ze het er mee eens waren of niet. De helft van de respondenten beaamde dat ze door de tuin andere buurtbewoners hadden leren kennen. 42% vindt het leuk om naar de tuin te gaan omdat ze er anderen kennen en 58% vindt dat er een prettige sfeer hangt. Een derde van de respondenten geeft aan dat het wonen in de buurt leuker is geworden door de tuin. Toch blijkt ook uit deze vraag dat de sociale contacten op de tuin niet het belangrijkste zijn voor de betrokkenen. Slechts één respondent geeft aan meer geïntegreerd geraakt te zijn in de buurt, twee hebben een groter sociaal netwerk gekregen, en voor één respondent vervult de tuin een belangrijke sociale rol. Bovendien zegt meer dan 40% van de respondenten dat de contacten of het sociale aspect van de tuin niet erg belangrijk voor hen is. Volgens 70% van de respondenten vervult de tuin dan ook slechts een kleine rol voor de sociale samenhang in de buurt. 

 

IMG_0711

 

Voedsel

We vroegen respondenten ook naar de groenten van de tuin. De meeste respondenten (42%, 5 respondenten) eten twee of drie keer per maand van de tuin. Een derde eet tenminste eens per week van de tuin, een kwart eens per maand of minder. Toch is de oogst op zich voor de meeste mensen niet erg groot: drie kwart van de respondenten geeft aan dat minder dan de helft van de groenten die hij of zij eet van de tuin komt en voor de meeste andere respondenten is dit nog minder. Slechts één respondent weet ongeveer de helft van zijn of haar groenten van de tuin te halen.

 

De belangrijkste redenen om van de tuin te eten is dat de groenten lekker, biologisch en lokaal zijn. Opvallend genoeg gaf slechts één persoon aan dat de tuin lekker makkelijk – want dichtbij – is. Voor 5 respondenten heeft de betrokkenheid bij de tuin geen invloed op hun eetpatroon; ze genieten hoogstens meer van hun eten (dit laatste geldt overigens voor de helft van de respondenten). Toch zegt 42% door het tuinieren in de supermarkt meer op te letten wat hij of zij koopt en is eenzelfde percentage andere groenten gaan eten. Een derde van de respondenten is vaker van het seizoen gaan eten.

 

Als je meer wilt weten over de resultaten, benader me dan gerust.

 

Esther Veen blogt als onderzoeker stadslandbouw

Plattelandstoerisme zou Chinese boer kunnen helpen

China wil haar boeren kansen geven in multifunctionele landbouw, en met name plattelandstoerisme. De veelal kleinschalige bedrijven moeten daarvoor nog wel een hele omslag maken, én mensen zien te vinden die voor extra diensten willen betalen. Nu gaan de rijkere Chinezen liever op vakantie naar het buitenland, of ze bezoeken een grootschalig recreatiepark. Misschien wel omdat platteland en landbouw geassocieerd wordt met armoe. De slechte luchtkwaliteit in de stad kan daar mogelijk verandering in aanbrengen en voor een herwaardering van het platteland zorgen. Zeker als ondernemers daar iets extra´s weten te bieden.

 

Op uitnodiging ben ik nu, eind oktober, aanwezig op het ‘World Agritourism Development Forum’. Een bijeenkomst in en om Changsha, in de provincie Hunan, China. China organiseert deze bijeenkomst met ongeveer 200 deelnemers uit wel meer dan 30 verschillende landen.

 

Het doel van de bijeenkomst werd me op de voorlaatste avond een beetje duidelijk toen ik sprak met een journalist van de Financial Times die schrijft over landbouw in China. Hij had gesproken met de persoon die inhoudelijk verantwoordelijk was voor het evenement (deze persoon is voor mij onzichtbaar gebleven tijdens deze meeting). Het doel is om door de ontwikkeling van deze sector bij te dragen aan het inkomen op het platteland.

 

En het is mooi om te zien dat zoveel landen van over heel de wereld agrotoerisme zien als een geschikte strategie voor een hoger inkomen van ondernemers op het platteland. Of het nu gaat om Maleisië, waar je als toerist mee kan helpen op het rijstveld, om Makeni in Siera Leone waar men zich wil onderscheiden voor de westerse toerist door kleinschalige agrotoerisme op te zetten als tegenhanger van het strand in de buurt van Freetown, Italië, waar ‘agritursimo’ een begrip is in de toeristenmarkt of Calafornië, waar er grote wijnfeesten georganiseerd worden, overal worden er kansen gezien en al gepakt.

 

Agrotoerisme ‘the China way’ 

Op dit moment zit ik in conferentiezaal met de deelnemers van deze conferentie. Op het platteland en op een plek met de capaciteit om 500 mensen te laten overnachten. Er is ook een speeltuin en een basketbalveld. Een aantal visvijvers en een restaurant. Maar op deze schaal zouden wij het geen agrotoerisme meer noemen. De voorbeelden die ik heb gezien tijdens de excursies zijn van dezelfde omvang. Of veel landbouw en bijna geen toerisme, of veel toerisme en bijna geen landbouw.

 

Maar als ik met de studenten praat die ons begeleiden hoor ik dat er wel steeds meer Chinezen naar het platteland op vakantie gaan. Vooral ook vanwege de slechte luchtkwaliteit in de steden. En na een aantal dagen in een provinciestad en een ochtend in de taxi door Beijng kan ik dat best begrijpen. En dat deze mensen slapen op de boerderij. Dus het lijkt er op dat er ook kleinschalige agrotoerisme is. Het zou passen bij de schaal van de landbouw. Er zijn veel kleine bedrijven met een lappendeken aan stukjes voor de teelt van rijst, een stukje groentetuin en een visvijver. Maar ik heb het niet gezien, en weet ook niet welke Chinees zich dit kan permitteren. Het beeld wat ik krijg is dat de mensen die echt een vakantie kunnen permitteren vaak de wereld over gaan. En diegenen diegene die dat niet kunnen gaan met Chinees nieuwjaar naar hun familie – dus wel naar het platteland. Maar of je dat toerisme moet noemen?

 

De groentetuin verdwijnt uit de Chinese stad

In China staan de hoge betonnen flats, als dominostenen, op een rij. Deze gebouwen noemt men hier in China ‘real estate‘. Dit ´echte vastgoed´ speculeert op nog meer mensen die in de steden gaan wonen en op een welvaartsgroei van de middenklasse. Op dit moment staan veel van deze kolossen nog leeg.

Als je de stad uitrijdt zie je een scherpe grens wanneer (nu) deze ‘real estate‘ stopt en de ‘oude’ stad er nog is. Hier zie je dus de betonnen kolossen veranderen in appartementen van maximaal drie hoog of gewoon vrijstaande woningen. Op dit punt zie je ook gelijk de moestuin verschijnen. Bijna elk stukje grond rondom het huis wat geschikt is wordt gebruikt voor groenteproductie. De mensen die hier wonen weten nog hoe het is om zelf voedsel te telen.

 

Hiervan kan je zeggen dat heel veel mensen in China of nog zelf voedsel produceren of dat tot voor kort hebben gedaan. Misschien hebben de Chinese stedelingen nog niet de behoefte om de landbouw weer te ervaren. Maar als ik de steden zie denk ik: ‘dat is een kwestie van tijd’.

 

P1020490

Als er grond beschikbaar is wordt het gebruikt voor groenteproductie

 

Of en hoe het agrotoerisme in China zal ontwikkelen is moeilijk te zeggen. De eerste behoefte van veel Chinezen is toch een huis en een auto. Misschien voor de middenklasse die er nu al redelijk warm bijzit. En of die er dan uit zal zien als grootschalige plattelands resorts (wat prima in het Chinese model past van een investeerder die een groot project opzet – waar de nodige mensen van profiteren) of dat ze meer ‘dutch‘ style zullen zijn is voor mij ongewis.

 

Als de boeren ervan zouden moeten profiteren hoop ik het laatste. Maar daarvoor hebben deze ondernemers betere toegang nodig tot kapitaal en training in de ontwikkeling van ondernemerschap. Echter, het beeld wat ik kreeg is dat het ondernemerschap nogal van boven naar beneden georganiseerd wordt. Voor verschillen met Nederland hoef je dus niet te zoeken.

 

P1020463

Landbouw rondom een toeristische hotspot: geboorteplek van Mao Zadong

 

29-10-2013; Daniël de Jong

 

Fenomenologie

De laatste twee weken heb ik een zomercursus ‘phenomenology and practice’ gevolgd aan de Universiteit Utrecht. Fenomenologie is een filosofische stroming en legt nadruk op de ‘lived experience’. Het gaat erom te beschrijven en te begrijpen hoe iets door een bepaalde groep mensen wordt ervaren. Bijvoorbeeld, hoe is het voor ouders wanneer hun kind te vroeg geboren wordt en het in een couveuse ligt? Of, hoe is het voor vrouwen om in een gevangenis te zitten? Je zou ook kunnen vragen; hoe is voor tuinders om samen een tuin te onderhouden? De antwoorden op deze vragen geven inzicht in menselijke ervaringen. Zo’n inzicht kan bijvoorbeeld worden gebruikt door verpleegsters op de afdeling voor te vroeg geboren kinderen, bij het begeleiden van hun ouders.

 

Ik wilde een zomercursus doen omdat ik dit jaar niet veel naar conferenties zal gaan en ik toch wat tijd wilde besteden aan iets buiten mijn reguliere werkzaamheden. Dat soort activiteiten zijn vaak inspirerend en een goede manier om nieuwe inzichten te krijgen. Eerlijk gezegd wist ik helemaal niet wat fenomenologie was voordat ik deze cursus tegenkwam, maar het woord practice in de titel sprak me aan (omdat ik de theory of practice gebruik in mijn tweede artikel). In mijn onderzoek bestudeer ik ook de dagelijkse praktijk, en ik wilde daar wel eens op een andere manier naar kijken. Ik zal waarschijnlijk niet direct iets met fenomenologie gaan doen, maar dat was juist ook een reden om voor deze cursus te kiezen; soms is het goed wat verder te kijken om je blik te verruimen. Bovendien ligt de nadruk bij fenomenologie erg op schrijven, en dat is voor een PhD student nooit verkeerd.

 

En zo heb ik me de laatste twee weken gestort op Heidegger en Marleau-Ponty (moeilijk!), maar ook op de fenomenologen van de niet langer bestaande Utrecht school (een stuk beter leesbaar), heb ik schrijfopdrachten gemaakt (de lived experience van een belangrijk moment) en bijna veertig buitenlandse studenten leren kennen. Het was heerlijk om twee weken alleen maar naar college te gaan en me verder niet met werk bezig te houden. Bovendien was het lekker dichtbij; voor het eerst in jaren met de fiets naar het werk. Het was de perfecte overgang tussen werk en zwangerschapsverlof. Maar nu is mijn verlof dan echt ingegaan en dit was daarom waarschijnlijk voorlopig mijn laatste blogje.

 

Esther Veen blogt als onderzoeker stadslandbouw

‘Tuinieren’ tijdens verlof

Ik heb verlof en doe het rustig aan. Elke dag besteed ik een paar uurtjes aan het lezen van literatuur, maar ik ben ook erg goed voor de horeca hier in Utrecht; ik heb veel afspraken met vriendinnen en drink dan koffie of eet een broodje in de stad. Daarnaast laat de nesteldrang van zich horen; ik stofzuig, doe boodschappen en sla het stof van de boeken in de boekenkast. En ik had ineens tijd om met ons balkontuintje aan de gang te gaan. Met al die zon doet alles het best aardig, al hebben we dit jaar nauwelijks iets eetbaars staan. We houden volgens mij vooral veel onkruid, want dat vind ik er ook best gezellig en groen uitzien. Een echte stadslandbouwer kun je me dus niet noemen. Wel heb ik nog erwtjes gepoot – het leek me wat laat maar ik heb het toch maar geprobeerd – en die zijn wonderwel nog opgekomen. Ook niet te vergeten; er groeit een paprika aan ons paprikaplantje, en we hebben tijm, bieslook, basilicum, peterselie en munt. Helemaal zo slecht nog niet :)

tuin3

Er groeit warempel een paprika!

tuin4

De erwtjes die zijn opgekomen, ik moet ze binnenkort gaan opbinden.

tuin7

De munt en peterselie. De munt aan de linkerkant ziet er niet meer zo best uit, maar sinds ik dit kistje wat heb opgeschoond is er weer verse munt opgekomen (in het midden). De peterselie moddert wat aan.

tuin5

De bieslook, naast een druivenplant die wordt vergezeld door iets waarvan ik niet weet wat het is (vast onkruid).

tuin6

De tijm.

tuin2

Gezellig onkruid, dat er vast is ingewaaid, maar ik krijg het niet over mijn hart om te verwijderen.

tuin1

Waar die klavertjes vandaan komen weet ik ook niet, maar gezellig zijn ze wel!

 

Esther Veen blogt als onderzoeker stadslandbouw